Voetje

Dat katholieke kerken de eerste musea waren, zie je in Italië nog steeds. Los van de entreebewijzen die vaak geheven worden – om te bidden moet je tegenwoordig betalen – bevat elke kerk een permanente expositie van schilderijen, beeldhouwwerken, grafkunst, houtsculpturen, reliëfs, gebrandschilderde ramen, miskelken, kostuums, zilveren monstransen, gouden of zilveren reliekhouders. Om over de ansichtkaarten, rozenkransen en boeken nog maar te zwijgen.

Zo’n prémuseaal museum is bijvoorbeeld de basiliek van Johannes en Paulus, niet de bekende apostelen, maar twee obscure Romeinse heiligen, in Venetië. Los van de prachtige schilderijen van Renaissancemeesters als Tintoretto, Titiaan en Veronese, is het vooral een kerkhof voor 25 doges. Die bevinden zich niet onder de kerkvloer, maar in prachtig gebeeldhouwde tombes hoog aan de wanden. Alleen op deze manier houden ze droge voeten als er weer eens Acqua Alta is, wat betekent dat Venetië onder water staat.

Maar er is meer wat niet in een hedendaags museum, zelfs niet in een kerkelijk museum, te vinden is, de glazen kisten met de stoffelijke overschotten van eeuwen geleden overleden heiligen. Eternal Beauties, worden ze wel genoemd, tastbare en zichtbare producten uit de katholieke wonderwereld. Ook in de basiliek van Giovanni e Paolo liggen ze in een glazen kist, heiligen waar bijna niemand van gehoord heeft en buiten Venetië al helemaal onbekend zijn. Maar wel ooit heilig verklaard.
Het tentoonstellen van menselijke resten, gebalsemd of spontaan gemummificeerd zorgde door de eeuwen heen voor een stroom religieuze toeristen, burgers, prelaten en pelgrims. Venetië zag er ooit zelfs brood in om het dode lichaam van de apostel Marcus uit Alexandrië te roven en er een kerk omheen te bouwen, de San Marco. Geen wonder dat die stad nadien zo rijk en welvarend werd.

Zo bezit Venetië ook het complete lichaam van de heilige Lucia, onderwerp van een populair oud Italiaans lied, maar intussen eeuwen in staat om bezoekende zieken, vooral blinden, te genezen. Omdat haar gezicht er onder haar rode haar niet meer aantrekkelijk uitziet, heeft men haar lang geleden al een gouden masker gegeven. Maar haar voeten steken onder haar kleding uit, ontroerende, schamele, bruin uitgeslagen voetjes gehuld in een omhulsel van perkament geworden huid.

Wat dat betreft is de rechtervoet van de heilige Catharina van Siena (1347-1380), ooit gescheiden van haar lichaam – dat nu in Rome ligt en net als haar losse hoofd daar te bezichtigen is – minder indrukwekkend, maar dat is betrekkelijk. Zo’n stijve plank van een Lucia kan niet op tegen het onthutsende voetje van Catharina, zoals we die kunnen bewonderen in een zilveren reliekhouder in de basiliek van Giovanni e Paolo.

Het is werkelijk verbazend om oog in oog te staan met een voetje van meer dan zes eeuwen oud. Het is klein, wat misschien komt omdat de mensen in die tijd, in dat land, nogal klein van stuk waren. Het kan ook zijn dat het door een uitdrogingsproces van eeuwen geschrompeld is. Maar er is nog iets anders. Catharina van Siena leed aan ernstige magerzucht, daarin was ze een voorbeeld voor vele heilige vrouwen die trachtten dichter bij God te komen door alle lichamelijkheid uit te bannen en in de geest op te gaan. Catharina’s maag was ook niet meer in staat om voedsel op te nemen en na het nuttigen van elke noodzakelijke hostie werd ze steeds behoorlijk ziek. Iedereen verbaasde zich erover dat ze niet verzwakte. Integendeel. Ze liep zo energiek voort dat men haar niet kon bijhouden. Als we dan haar bijna doorzichtige witte voetje bekijken, kun je je er iets bij voorstellen.

Drie en dertig jaar is ze geworden, even oud als Christus met wie ze een mystiek huwelijk had gesloten. Ze was, meer nog dan Hildegard von Bingen, koningen en de paus de baas. Sterker nog, zelfs God deed zonder aarzelen wat ze hem beval. ‘Voglio’, riep ze dan: ik wil het! En niemand durfde haar tegen te spreken.
Verandert dat voetje door alle kennis die we over haar leven bezitten? Niet werkelijk, natuurlijk. Het is nauwelijks te geloven, terwijl dat nou juist de bedoeling is. Dat voetje moest het blind geloven in de kerk vergemakkelijken. Voor de Ongelovige Thomassen onder ons was dat voetje het bewijs dat God en de hele santenkraam wel degelijk bestonden. Via stukjes heilig verklaarde mens dichter bij God komen, daar ging het ook om. Maar het is vooral die grote teen die zo werelds omhoog krult, alsof ze zich net van een pijnlijke sandaal heeft ontdaan.

Over Eric Bos

Eric Bos Eric Bos (Den Haag - 1942) is beeldend kunstenaar,schrijver, docent en journalist. Schrijft essays, romans en non-fictie. Woont in Groningen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *