Vanachter de pilaren

Deze tekst verscheen in 2009 in het meinummer van Forma Aktueel, het tijdschrift van Forma Aktua Pinakotheek in Groningen.

De doden wonen onder de levenden. Letterlijk en figuurlijk. Je komt ze nooit tegen, tenzij je door een deur gaat, een poort passeert, een hek opent. Kijk, daar ligt Maria van Bourgondië in de Onze Lieve Vrouwekerk in Brugge op ons, toeristen, te wachten. Haar eigen volk maalt niet meer om haar, al eeuwen niet. Haar levensgrote evenbeeld van brons ligt boven haar resten in de sarcofaag eronder. Naast haar ligt niet haar echtgenoot Maximiliaan van Oostenrijk. Het is haar vader Karel de Stoute. Na meer dan een kwart eeuw wachten op haar man vanaf het moment in 1482 dat zij op 25 jarige leeftijd overleed door een val van haar paard tijdens de valkenjacht. Maar Maximiliaan liet zich in Innsbrück bijzetten. In 1979 hebben ze nog eens in haar kist gekeken om zeker te weten dat zij het is die daar ligt.

Het geeft een vreemd gevoel haar beeltenis daar tastbaar te zien liggen, vooral omdat we het gevoel hebben dat ze precies heeft geleken op deze vrouw van brons die met haar gekroonde hoofd op een bronzen kussen rust. Zo lijkt te slapen, haar handen vroom gevouwen, alsof ze nog maar net de drempel van de prachtige O.L.V.-kerk is gepasseerd, in onwetendheid over haar zo snel naderende dood. De dood die misschien wel elke dag vanachter de pilaren op haar loerde.

Zo vergaat het ons ook in de kerk van Saint Denis bij Parijs, dat vreemde gevoel midden in het leven zomaar in de dood te staan. Porte Saint Denis is tevens een eindstation van een metrolijn en je hoopt maar dat de remmen het doen, zodat het gevaarte zich niet in de grond van het plaatselijke kerkhof boort. Want in Saint Denis liggen vrijwel alle Franse koningen en koninginnen begraven. Van Clovis I tot Dagobert en Louis IX en zo maar door. Sommige stenen sarcofagen zijn leeg, de half of heel vergane koninklijke lijken werden door een opgewonden meute revolutionairen eind 18de eeuw uit hun rustplaatsen gesleurd en tot moes gestampt.

Maar welke Fransman kijkt er nog naar om? Hoogstens een schoolklasje in uniform gestoken scholieren die stil en gehoorzaam de onderwijzer volgen. Een lesje aanschouwelijke geschiedenis. Het enige dat je hier leert is dat ieder mens doodgaat, dat alle mensen sterven, zelfs koningen en keizers. We kijken naar de overblijfselen van wat eens leven was.

Alleen in Wenen lijkt keizerin Elisabeth nog te leven, al is ze dit jaar alweer 111 jaar dood. Kijk, haar tafel staat nog gedekt in de Alte Hofburg. Haar bed ligt er onbeslapen bij, haar beeltenis siert het bureau van haar echtgenoot Franz Josef I. Verder is er een kermis van gemaakt. Alsof we allemaal kinderen zijn en ons zonder een overdaad aan theatraal vormgegeven geschiedenislesjes via een route die nog het meest op een spookhuis lijkt, niks kunnen voorstellen in haar authentiek ingerichte salons, slaapkamer of gemak. In haar boudoir bevindt zich een ontbijttafeltje. Daar at ze elke ochtend met haar gemaal, staat er bij vermeld.

Je ziet ze samen een eitje pellen tot de plicht hen ieder tot een andere missie riep. Maar het is en leugen. Elisabeth had een buitengewoon ongezond voedingspatroon en at, als ze al at, zeker niet met haar echtgenoot met wie ze na een eerste traumatisch verlopen huwelijksnacht liever niets intiems meer deed, behalve haar belangrijkste plicht nakomen door hem kinderen te baren.

We kennen haar als de lieve, charmante Sisi, van de film en de damesromannetjes, dus moet dat suikerzoete beeld in stand worden gehouden. Alles voor de toeristen.
Voor Sisi, zoals keizerin Elisabeth zich wel eens noemde, was de dood een levenslange metgezel, zoals hij gretig om zich heen sloeg, hier een oom, daar een zuster, verderop een vriend, een vader, nog eens een neef, een andere goede vriend, opnieuw een zus, haar eigen zoon kroonprins Rudolf in 1889. Vanaf dat jaar liep constant in rouwkleding liep, een magere schichtige vrouw in een tijd toen niemand nog van rouwverwerking had gehoord en de dood bij iedereen elke dag aanwezig was.

In Wenen leeft het dode verleden meer dan elders. Een Sisi-musical in haar herdenkingsjaar 1989, toen het honderd jaar geleden was dat ze werd vermoord door een anarchist, een Rudolf.musical deze zomer tijdens de Wiener Festwochen die nu aan de gang zijn. Het keizersdrama leeft onder de Weense bevolking. Het Habsburger keizerrijk bracht Oostenrijk roem en aanzien. Met Hitler dachten de Weners dat weer terug te krijgen, met de vorig jaar verongelukte politicus Jörg Haider zagen velen opnieuw een glorieus toekomstbeeld. Dus blijft de herinnering over, aan een geliefde keizerin als Elisabeth. Als dode woont ze nog steeds onder de levenden. Je hoeft er slechts de Weense stadsbodem in af te dalen, in de crypte van de kloosterkerk der Kapuzinerorde. Daar liggen alle Oostenrijkse koninklijke en keizerlijke families bij elkaar. Het is één groot complex van toonzalen vol kisten en sarcofagen. Achterin ligt Sisi. Rudolf lag er vanaf 1889 moederziel alleen. Sisi kwam negen jaar later, zijn vader pas in 1916. Nadien ging het snel bergafwaarts met Oostenrijk. De dood drukt zijn wrede stempel op de geschiedenis en speelt zijn politieke spel met verve.

Bij de sarcofaag van Elisabeth liggen bloemen, al sinds haar bijzetting in september 1898. Elke dag. Van de ene generatie op de andere. Want de doden wonen onder de levenden en verdienen onze gepaste aandacht. We komen ze zelden tegen, maar als we de moeite nemen een trap af te dalen, een deur te passeren, een kaartje te betalen, staan we oog in oog met de tastbare onherroepelijkheid van het verleden. De geschiedenis ijlt boven onze hoofden voort, maar in deze necropolis is ze voorgoed stil blijven staan.

Over Eric Bos

Eric Bos Eric Bos (Den Haag - 1942) is beeldend kunstenaar,schrijver, docent en journalist. Schrijft essays, romans en non-fictie. Woont in Groningen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *